De huidige context van de kledingindustrie

gepubliceerd 09-06-2014 21:20, Laatste wijziging: 21-08-2014 13:35
De afgelopen dertig jaar is de concurrentie tussen landen op de exportmarkt voor kleding, textiel en schoenen behoorlijk toegenomen. Als gevolg van het groeiende aanbod dalen de prijzen van kleding en schoenen voortdurend. 'Het recht van de goedkoopste' is inmiddels het belangrijkste motto, zowel in de productielanden als op de consumentenmarkt. Alleen al uit angst dat bedrijven hun productie elders onderbrengen, stemmen de overheden van productielanden hun arbeids- en handelsbeleid af op de verwachtingen en eisen van de internationale inkopers. In de praktijk betekent dit bijvoorbeeld dat vakbondsactiviteiten ernstig worden belemmerd, en dat wettelijke minimumlonen ver achterblijven bij het bestaansminimum en niet worden aangepast aan de inflatie.
De huidige context van de kledingindustrie

Infographic: minimumloon vs leefbaar loon in een aantal Aziatische landen

Tijdens en na de financiële crisis werd de situatie nog slechter voor kledingarbeiders. Zij werden extra zwaar getroffen door de explosieve stijging van de rijst- en olieprijzen, omdat voeding een grote hap neemt uit hun huishoudbudgetten. De toch al extreem lage minimumlonen werden niet aangepast om deze inflatie te compenseren, zodat de reële lonen nog lager werden. Het gebrek aan kwalitatief goede voeding heeft geleid tot ernstige ondervoeding bij textielarbeiders in Bangladesh en massaal flauwvallende werknemers in Cambodjaanse kledingfabrieken. De afgelopen jaren hebben duizenden wanhopige werknemers in veel productielanden gedemonstreerd en gestaakt voor hogere lonen.

Audits helpen niet

Het is het afgelopen decennium duidelijk geworden dat commerciële auditprocedures niet in staat zijn om de werkelijke situatie in Aziatische fabrieken aan het licht te brengen en dat deze audits niet leiden tot systematische veranderingen in de industrie. Commerciële audits leggen de verantwoordelijkheid voor sociale kwesties grotendeels bij de leveranciers neer. Ze kijken niet naar de praktijken van inkopers, terwijl juist de lage verkoopprijzen en korte productietijden vaak leiden tot buitensporig overwerk en lage lonen in de fabrieken.

Inkopers voeren allerlei excuses aan om zich niet te hoeven inzetten voor leefbare lonen: dat het de verantwoordelijkheid van leveranciers of overheden is, dat hogere lonen hen uit de markt zouden prijzen, dat de consument niet meer wil betalen, dat er geen consensus is over het berekenen van een leefbaar loon, enzovoort. Maar de inkoper blijft verantwoordelijk voor het eerbiedigen van de mensenrechten en het garanderen van een leefbaar loon. Ook als er diensten worden uitbesteed.

In reactie op de tekortkomingen van de commerciële audits hebben sommige bedrijven zich aangesloten bij multi-stakeholderinitiatieven (MSI's) als de Fair Wear Foundation (FWF) en het Ethical Trading Initiative (ETI).

Deze twee MSI's streven naar de invoering van een leefbaar loon en de aangesloten merken zijn verplicht om het principe van een leefbaar loon op te nemen in hun beleid. Er moet echter nog veel meer worden gedaan om de invoering van een leefbaar loon daadwerkelijk te bevorderen; de MSI's zouden daarin een grotere rol kunnen spelen.

Rampen zoals het instorten van de fabriek in Rana Plaza hebben ondubbelzinnig aangetoond waartoe de wedloop van goedkope kleding kan leiden en ook dat audits alleen niets oplossen. Zo was Rana Plaza al verschillende keren gecontroleerd voordat de fabriek op 24 april 2013 instortte, waarbij meer dan 1100 mensen om het leven kwamen en 2500 gewonden vielen. Geen enkele audit had melding gemaakt van de deplorabele staat van het gebouw. Het bindende Bangladesh Veiligheidsakkoord, afgesloten tussen internationale vakbonden en meer dan honderd kledingmerken is een belangrijke vooruitgang op het gebied van bedrijfsverantwoordelijkheid en samenwerking.