Nieuw rapport: Moderne slavernij in de Indiase textielindustrie

gepubliceerd 28-10-2014 11:25, Laatste wijziging: 28-10-2014 11:28
Inspanningen van modemerken en winkelketens hebben nog geen resultaat. Flawed Fabrics, een nieuw rapport van onze partners Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) en Landelijke India Werkgroep (LIW), toont aan dat uitbuiting en dwangarbeid nog steeds de dagelijkse realiteit is in de textielindustrie in Zuid-India.
Nieuw rapport: Moderne slavernij in de Indiase textielindustrie

Copyright: Shuchi Kapoor


Meisjes en vrouwen werkzaam in de textielfabrieken, worden gedwongen lange uren voor lage lonen te werken. Ze verblijven in slaapzalen en mogen het bedrijfsterrein bijna nooit verlaten. De onderzochte fabrieken leveren aan westerse merken waaronder C&A, Primark en Replay en aan Bengaalse kledingfabrieken. Nederlandse bedrijven zijn nog nauwelijks actief om deze misstanden aan te pakken.
 
Flawed Fabrics beschrijft de arbeidsomstandigheden in vijf textielfabrieken: Best Cotton Mills, Jeyavishnu Spintex, Premier Mills, Sulochana Cotton Spinning Mills en Super Spinning Mills. 150 Arbeiders zijn geinterviewd, en bedrijfsinformatie en exportgegevens zijn geanalyseerd. De Zuid Indiase deelstaat Tamil Nadu is een belangrijk productiecentrum voor de wereldwijde kledingindustrie. Katoenen garens en stoffen uit de textielfabrieken worden in de Indiase kledingindustrie gebruikt en ook geëxporteerd naar andere productiecentra zoals Bangladesh.
 
De tieners en jonge vrouwen, de meesten van hen afkomstig uit arme Dalit-gemeenschappen ('kastelozen'), vertellen hoe hen mooie beloftes zijn gedaan over werk en goede lonen. In werkelijkheid werken ze als moderne slaven, onder omstandigheden die in het geval van tienermeisjes neerkomen op de ergste vormen van kinderarbeid. Arbeiders kunnen nergens terecht met hun klachten. Vakbonden zijn afwezig. “Ik vind het hostel niet prettig. Er is niets te doen, er is geen contact met de buitenwereld en het ligt ver buiten de stad. Het is net een gevangenis”, aldus één van de geïnterviewde arbeiders van Sulochana Cotton Spinning Mills.
 
Het merendeel van de inkopende modebedrijven doet geen controles en werkt niet aan verbetering in de spinnerijen, de tweede schakel in hun productieketen. Terwijl ze dat de afgelopen jaren wel steeds meer zijn gaan doen bij kledingfabrieken, hun directe leveranciers. Twee van de onderzochte textielfabrieken ontvingen een certificaat (SA8000) voor het naleven van internationale arbeidsnormen, terwijl uit dit onderzoek blijkt dat ook hier arbeidsrechten worden geschonden.
 
Martje Theuws, onderzoeker bij SOMO: "Bedrijven pakken arbeidsrechtenschendingen niet effectief aan. Bedrijfscontroles zijn er niet op toegerust om bijvoorbeeld dwangarbeid op te sporen. Bovendien is er geen ketentransparantie. Lokale vakbonden en arbeidsrechtengroepen worden consequent genegeerd."
 
Marijn Peepercamp, van LIW: "Overheden in de landen waar merken en modeketens zijn gevestigd, zorgen er niet voor dat bedrijven voldoen aan de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Volgens de VN Principes voor bedrijfsleven en mensenrechten heeft de overheid de plicht om haar burgers te beschermen, en moeten bedrijven mensenrechten respecteren. Deze richtlijnen worden hier met voeten getreden.
 
Minister Ploumen zet zich in voor betere arbeidsomstandigheden in de Bengaalse kledingindustrie. SOMO en LIW roepen haar op deze inspanningen te verbreden naar de Indiase textiel- en kledingindustrie. Daar sluit Schone Kleren Campagne zich van harte bij aan.